Aan het einde van het boek Job, lees je dat God zélf verschijnt. Na alle wanhoop, verlies en ziekte zegt Hij tegen Job: “Ga maar staan. Recht je rug! Kom op! Je had het toch tegen Mij?” Het is opvallend dat God niet ingaat op de details van de situatie. Hij zegt niet: “Och, wat heb je verschrikkelijke dingen moeten doorstaan, Job.” Nee, Hij daagt hem uit om op te gaan staan en Hem de schuld te geven van wat hem is overkomen.

Wat ik bijzonder vind, is dat God hier volledig uitgaat van zijn eigen kracht. Niets brengt Hem aan het twijfelen over wie Hij is. Sterker nog, Hij begint zichzelf te omschrijven: “Waar was jij, toen Ik het heelal schiep?” Hij schildert met een veelheid aan prachtige woorden een compleet plaatje van wie Hij is en wie Hij altijd is geweest. Lees het maar eens na!

Dit alles brengt Job bij de volgende gedachte: ik dacht dat ik zo goed was… maar het gaat helemaal niet om mij! En ook niet om mijn rechtvaardigheid! Het gaat om U en om Uw goedheid! Hoe heb ik kunnen denken dat U het was die deze ellende op mij afstuurde? Ik ben er nu van overtuigd: dat is niet wie U bent. Nu weet ik wie U écht bent: U bent mijn GOEDE God!

Het gesprek dat Job met God voert is het gesprek dat ook ik met God wil voeren. Mijn omstandigheden roepen dit, mijn gedachten roepen dat en mijn vrienden hebben ook hun eigen ideeën over hoe het allemaal werkt. Maar alles waar ik naar verlang is een ontmoeting met God zelf. Opnieuw beseffen wie Hij is: een goede God, tegen wie ik kan zeggen: “Ik weet niet hoe het zit, maar ik ben onder de indruk van Uw grootheid. Ik begrijp niet waarom dit me overkomt, maar ik blijf weg bij het oordeel. Want U gaf mij een pleitbezorger. Zijn naam is Jezus!