Toen Petrus met hulp van een engel uit de gevangenis ontsnapte, ging hij naar het huis van Maria. Een groot gezelschap kwam daar bij elkaar om te bidden: ‘O Heer, doe iets! Bevrijd Petrus!’ Nadat hij had aangeklopt, kwam het dienstmeisje Rhode aan de deur. Ze was van plan open te doen. Maar toen ze de stem van Petrus herkende, werd ze zó enthousiast, dat ze helemaal vergat open te doen.

Ze rende naar binnen om het gezelschap in te lichten. Ik zie voor me hoe dit ongeveer moet zijn gegaan: een hysterische vrouw die de ‘heilige samenkomst’ verstoort waar alle apostelen in gebed zijn. Met wapperende handen gilt ze: ‘Jongens, Petrus staat voor de deur!’ Akward, want dit is hoe er op gereageerd wordt: ‘Je bent niet goed wijs!’ Toch blijft ze volhouden: ‘Maar het is waar!’ Ook dit mag niet baten. Ze wordt afgewimpeld met: ‘Dan is het vast zijn beschermengel!’

Bedenk je goed: dit was de EERSTE gemeente! Het perfecte beeld van Jezus! Iets waarvan we zeggen: zo zou het moeten zijn. En tuurlijk, ze bidden. Dat doen ze goed. Maar als het wonder eenmaal voor de deur staat durven ze niet eens te geloven dat het écht zo is. Komt het er hier op neer dat ze niet geloven waarvoor ze bidden?

God gebruikt in dit verhaal het dienstmeisje van het gezelschap. Niet eens een stoere apostel, die zegt: ‘Ik heb net een download vanuit de hemel ontvangen, Petrus komt nu aan gewandeld.’ Nee, degene waarvan niemand het verwacht komt met dé mededeling. Onze eerste reactie is vaak: het kan helemaal niet! Vervolgens proberen we te redeneren. Maar laten we uit dit verhaal leren dat het belangrijk is om te geloven waarvoor we bidden.

Want, als een gemeente niet gelooft waarvoor ze bidt en tóch gebeuren wonderen, waartoe is een gemeente in staat die wél gelooft?