Laatst was ik aan het hardlopen met mijn jongste zoon, Manasse. Het was begin van de avond, donker, en er moest nog een flink stuk over de dijk afgelegd worden. Een groot gedeelte beschikt over lantaarnpalen, dat was fijn! Maar het laatste gedeelte zou zonder verlichting zijn. Ik zag het al van verre aankomen: een pikzwart gat! Oei, dacht ik, wat als Manasse dit niet trekt?!

Ik merkte dat ik hem wilde voorbereiden op wat komen zou en stond op het punt om hem te vragen: ben je er klaar voor? Ben je niet bang? Maar ik bedacht me op tijd. Mijn vragen zouden hem alleen maar angst aanjagen. Ik besloot om niks te zeggen…

Toen we bij het donkere gedeelte aankwamen begon Manasse uit zichzelf: ‘Zo…, best donker hè, pap?!’ ‘Ja’, antwoordde ik, ‘maar ook best lekker, hè?’. ‘Ja’, antwoordde hij, ‘dat wel!’ Na een korte stilte zei hij ineens: ‘Pap, heb je gezien hoe mooi het hier is?’ Hij wees omhoog en maakte me bewust van de prachtige sterrenhemel, hoog boven ons.

Het drong tot me door: had ik zojuist de nadruk op zijn angsten gelegd, dan had Manasse de schoonheid van de natuur gemist. Maar nu er geen angst was, kon hij zichtbaar genieten van wat hij om zich heen zag.

Maakt de tijd waarin we leven dit niet heel actueel? Dat we ons, juist in donkere dagen als deze, kunnen optrekken aan onze hemelse Vader? En dat we onze angsten aan Hem kunnen geven, zodat we -zélfs ten tijde van een pandemie- staande kunnen blijven en mogen genieten van de mooie dingen om ons heen?